Het nieuwe erfrecht

Krachtlijnen van de hervorming van het erfrecht (Wet van 31 juli 2017)

Het nieuwe erfrecht is een feit.
De wet van 31 juli 2017 (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 1 september 2017).
Deze wet wordt van kracht op alle nalatenschappen die openvallen vanaf 1 september 2018.
Dus alle overlijdens vanaf 1 september 2018 zullen volgens de nieuwe wet op erfrechtelijk gebied geregeld worden en de nieuwe wet is dus ook van toepassing op giften (schenkingen) door de erflater (de overledene) gedaan voordien.
Tenzij de erflater een verklaring voor 1 september 2018 van behoud aflegt waarin het oude recht behouden blijft voor alle vroegere schenkingen.
Dit houdt ook in dat het oude recht nog steeds van toepassing blijft op alle nalatenschappen die voor 1 september 2018 openvallen.
We besteden aan deze nieuwe wet toch wel graag wat aandacht daar er in de familiale sfeer vaak conflicten ontstaan over nalatenschappen, vooral wanneer de erflater (degene die overleden is en wiens nalatenschap derhalve is opengevallen) kinderen uit verschillende relaties gehad heeft en dan daarbovenop zelf wellicht nog eens als plus ouder gefungeerd heeft ten aanzien van niet-biologische kinderen.
Het is vooral in die situaties dat familiale bemiddeling een oplossing blijkt te zijn daar in veel gevallen de diverse erfgenamen mekaar amper of zelfs niet kennen.
Dan kan de bemiddelaar zijn natuurlijke rol als bruggenbouwer opnemen.
We beperken ons hier tot enkele belangrijke punten.
Het erfrecht zelf is een uiterst technische materie zodoende dat het steeds aangewezen is u te laten bijstaan of u te laten begeleiden door een bemiddelaar in geval van nalatenschappen met veel schenkingen of kinderen uit verschillende relaties.
Het nieuwe erfrecht maakt in eerste instantie een onderscheid tussen het relatie- en het familiale vermogen.
Deze beiden worden op een aparte wijze behandeld naar de bestemming toe.
Tevens wordt de erfrechtelijke reserve gewijzigd.
Over deze drie punten hieronder wat meer alsook nog iets meer uitleg over het onderscheid tussen roerende en onroerende goederen.

1. Klemtoon op de samenleving (relatievermogen)

Het nieuwe erfrecht legt de nadruk op de samenleving, dit wil zeggen dat men op één of andere wijze de aanwinsten die men heeft opgebouwd met de (al dan niet langstlevende) partner beschermt.
Met de aanwinsten bedoelt men: dat wat verworven werd tijdens de relatie, wat partners tijdens hun relatie samen hebben opgebouwd (hier bedoelt men ook het relatievermogen).
Op dit ogenblik is dit erfrecht enkel van toepassing op gehuwde partners.
Of men ook dergelijke rechten zal toekennen aan partners in een feitelijke of in een wettelijke samenwoonst valt af te wachten.
Hierover bestaat nog geen consensus en de vraag is of deze alsnog gevonden zal worden en of men al dan niet in het huwelijksvermogensrecht openingen maakt naar vormen van niet-gehuwd samenleven.
De bedoeling van het nieuwe erfrecht is alleszins dat de langstlevende echtgenoot bijzonder beschermd wordt naar het tijdens het huwelijk gezamenlijk opgebouwde vermogen en dat deze bescherming geldt ten aanzien van alle andere erfgenamen, in eerste instantie de kinderen.

2. Klemtoon op het familiaal vermogen

In tegenstelling tot het eerste punt speelt hier de omgekeerde beweging.
Waar men in het eerste punt de (langstlevende) partner wil beschermen tegenover de kinderen, zal men hier het eigen vermogen van de vooroverleden partner willen beschermen ten gunste van al diens kinderen (eventueel uit vorige relaties).
De bescherming gebeurt dus in twee richtingen:
Voor wat betreft het opgebouwde vermogen (tijdens het huwelijk) zal er een duidelijke tendens zijn om de partners te beschermen tav hun (al dan niet gezamenlijke) kinderen.
Wat betreft het eigen vermogen van elke partner, dit is dus niet opgebouwd tijdens het huwelijk, krijgen de eigen kinderen voorrang op de langstlevende echtgenoot.
Hier wordt dus het erfrecht van de langstlevende echtgenoot op het eigen vermogen van de andere beperkt.

3. Verandering van de erfrechtelijke reserve (verhoging van het beschikbaar deel)

De reserve (of het voorbehouden deel) is dat deel van zijn nalatenschap waarover de erflater niet zelf kan beschikken maar dat aan bepaalde erfgenamen voorbehouden is.
In de oude regeling is deze wettelijke reserve geregeld in functie van het aantal kinderen dat in de nalatenschap betrokken is.
Bij één kind is de wettelijke reserve (of het voorbehouden deel) 1/2de, bij twee kinderen 2/3de, bij drie kinderen 3/4de enzovoort.
Dit wil zeggen dat iemand met vier kinderen zijn kinderen maar mag “onterven” voor 1/5de en dat dus 4/5de minstens aan deze kinderen in gelijke delen moet toekomen als zijnde hun wettelijke reserve.
Het deel waarover de erflater zelf kan beschikken (in ons voorbeeld 1/5de) noemt men het beschikbaar gedeelte en over dit deel kan de erflater vrij beschikken en zijn kinderen dus onterven.
Vandaar de uitspraak in de volksmond dat niemand zijn kinderen nooit (volledig) kan onterven.
Er was al lang een strekking in de rechtsspraak en de rechtsleer die vond dat de wettelijke reserve (dus het deel dat de kinderen toekomt of bepaalde ascendenten) beperkt moest worden, ja zelfs volledig afgeschaft, om de erflater meer vrijheid of zelfs volledige vrijheid te kunnen geven om zijn erfenis te regelen.
Naar een volledige afschaffing van de wettelijke reserve is men echter niet gegaan.
In de nieuwe regeling (vanaf 1 september 2018) geldt de wettelijke reserve enkel nog voor de descendenten (afstammelingen) van de erflater en niet langer meer voor de ascendenten van de erflater (in de praktijk waren dit de ouders).
Voor wat betreft de reserve van de langstlevende echtgenoot, deze is enkel beschermd ten aanzien van giften gedaan door de erflater tijdens het huwelijk.
Deze reserve (dit is dus het deel waarover de descendenten alleszins moeten kunnen beschikken) wordt berekend op de fictieve massa.
Dit is het bestaande vermogen op het ogenblik van het overlijden (de activa minus de passiva) te vermeerderen met de schenkingen.
De descendenten (afstammelingen) hebben recht op minstens 50% van deze fictieve massa.
Zulks houdt in dat dus de erflater steeds over de helft van deze fictieve massa vrijelijk kan beschikken en de kinderen dus voor maximum 50% kan onterven.
Dus : steeds 50% beschikbaar en 50% voorbehouden.

4. Geen verschil meer tussen roerende en onroerende goederen

Ons erfrecht dateert in grote lijnen nog van 1804 (de Code Napoléon) die een erfrecht codificeerde van een – in hoofdorde – agrarische samenleving.
In deze agrarische samenleving werd uiteraard en vanzelfsprekend een groter belang toegekend aan onroerende goederen dan aan roerende goederen.
Dit geeft – nog steeds, vergeten we het niet – een aantal verschillen in de behandeling van roerende en onroerende goederen.
Deze verschillen worden vanaf 1 september 2018 afgeschaft.
Tevens heeft men de waardering van goederen in natura (waarbij men uiteindelijk moet gaan ruilen – ook typisch voor een landbouwsamenleving ) afgeschaft en vervangen door de waardering in geld van de diverse roerende en onroerende goederen.
Moet er bijvoorbeeld rekening gehouden worden met een schenking (van een onroerend goed of bijvoorbeeld in geld) dan zal men de tegenwaarde nemen op datum van schenking met een uniforme indexatie naar het heden, en daarop zal men dan de nalatenschap gaan waarderen.

5. Soepelere regels i.v.m. erfovereenkomsten

Onder de oude wet gold er steeds een absoluut verbod om overeenkomsten te maken over een nalatenschap die nog niet opengevallen was.
Dit bracht met zich mee dat noch bijvoorbeeld de kinderen noch de toekomstige erflater overeenkomsten konden maken wat er later zou gebeuren met de nalatenschap en hoe zij die zouden regelen.
Dergelijke overeenkomsten over een nog niet opengevallen nalatenschap waren absoluut nietig.
Vanaf 1 september 2018 wordt dergelijke erfovereenkomst principieel mogelijk gemaakt doch enkel voor de toekomstige eigen nalatenschap onder bijzondere en bezwarende titel.
De wet voorziet hier punctuele of globale erfovereenkomsten al naargelang hetgeen geregeld wordt.
Dit zal echter steeds, op straffe van nietigheid, dienen te geschieden via een notariële akte met publicatie in het CRT (Centraal Register der Testamenten).
Deze erfovereenkomsten lijken ons een absolute verbetering te zijn.
Wellicht brengt dit met zich mee dat de familiale bemiddelaar tussen kan komen in het kader van deze erfrechtovereenkomsten en niet meer later na het overlijden van de erflater wanneer het kalf in vele gevallen al verdronken is en de familie emotioneel op apengapen ligt en het conflict reeds ontstaan is.
De familiale bemiddelaar krijgt nu de kans (wanneer hij hier uiteraard toe aangesteld wordt) om bij leven van bijvoorbeeld de vader diens nalatenschap te regelen in samenspraak, dialoog en verstandhouding met al zijn kinderen (uit welke relatie dan ook geboren) en met al zijn stiefkinderen en mogelijke andere erfgenamen.
Hier ligt de belangrijke taak van de familiale bemiddelaar om zijn/haar bijdrage te leveren aan het creëren van rust en vrede in de families en om vooral ook zorg te dragen voor duurzame oplossingen: dit houdt in dat een duurzame vrede gecreëerd kan en dient te worden.
Op deze wijze wordt de communicatie binnen de familie gestimuleerd en worden toekomstige conflicten wellicht vermeden.

Besluit

Het nieuwe erfrecht biedt de oplossing voor een aantal problemen en anomalieën die onder het oude erfrecht toch wel degelijk een billijke verdeling in de weg stonden.
De verbeteringen en aanpassingen getuigen van gezond verstand en een zin voor evenwicht.
Dit doet reeds vooruit blikken naar de nieuwe wet op het huwelijksvermogensrecht, het Wetsvoorstel dateert van 13 december 2017 en is nog in behandeling in de Kamer.
In het wettelijk stelsel zouden een aantal knelpunten die er thans nog zijn, opgelost geraken onder andere i.v.m. individuele levensverzekeringen, arbeidsongevallenvergoedingen, beroepsgoederen, aandelen en cliënteel.
Men zou tevens het wettelijk stelsel van scheiding van goederen willen verbeteren en beter willen omkaderen met mogelijkheid tot mildering van de zuivere scheiding.
Er zou hier ook een facultatieve rechterlijke billijkheidscorrectie kunnen komen bij de zuivere scheiding van goederen wanneer er sprake zou zijn van manifeste onbillijkheid.
Of er ook nog beschermingsmaatregelen genomen zullen worden (in de verdere toekomst) naar wettelijke – en feitelijke samenwoners is op dit ogenblik nog koffiedik kijken.